Verslagen

TIJDSCHRIFT

Van het tijdschrift Brabants Heem is helaaas het laatste nummer (nummer 3) in september 2009 verschenen. Er is geen nummer 4 van de laatste jaargang. In plaats daarvan kregen de kringen een nulnummer van het magazine “In Brabant”.

 

Verslag Archeologische Studiedag 15 november 2009

van de Archeologische Sectie van het Noordbrabants Genootschap in samenwerking met Brabants Heem.            Locatie: KMA Breda.                             Onderwerp: Verdedigen en aanvallen. De archeologie van het conflict.

 Vanaf 10.00 uur worden de deelnemers met een kopje koffie ontvangen in de prachtige Nassauzaal van de KMA, waar de portretten van generaties Nassau op ons neerkijken. Een zeer geschikte omgeving, zeker met het oog op het onderwerp van de dag.

Nadat de voorzitter van de Archeologische Sectie, Peter van Nistelrooij,  eenieder heeft welkom geheten geeft de dagvoorzitter, André Velthausz, om 10.40 uur het woord aan de eerste spreker, prof. dr. Wim Klinkert, hoogleraar aan de KMA, voor het onderwerp: “Breda onder vuur, 1625 – 1637.”

Tijdens de 80-jarige oorlog is Breda vijf  keer van bezetter gewisseld, meer dan enige andere stad in de Nederlanden. Vooral later in deze oorlog waren veldslagen de uitzondering en belegeringen van steden de regel. Veldslagen waren zeer duur en de uitslag was altijd onzeker. Het innemen van steden was, behalve om de stad zelf, belangrijk voor de verbindingen. Wat dat betreft moeten we vooral denken aan de route uit het zuiden naar Holland. Dit wordt geïllustreerd met een kaart uit 1609. Het terrein bepaalde de mogelijkheden, de mogelijke routes gingen door West-Brabant en langs de Rijn. Dus het bezit van de vestingen Breda en ’s-Hertogenbosch was voor beide partijen van groot belang.

Belangrijke factoren bij belegeringen waren de dracht van de wapens en de mogelijkheden tijd te winnen. Rond 1450 had een revolutie plaatsgevonden in de artillerie, belegeringen gingen daardoor ineens veel korter duren tot, al snel, tegenmaatregelen werden genomen. In plaats van de oude stadsmuren kwamen er brede aarden wallen met bastions, ravelijnen e.d. Van deze systemen krijgen we heel mooie illustraties te zien.

Spinola koos in 1625 voor een langzame belegering, voor uithongering dus. De spreker ging hierbij uitvoerig in op de logistieke problemen. Er moesten zo’n 50 000 belegeraars van al het nodige worden voorzien. Zij moesten in de winter worden doorbetaald, wat toen niet gebruikelijk was. De belegeraars legden een dubbele ring van belegeringswerken aan, de buitenste was bedoeld om ontzetting door troepen van buiten te voorkomen. Tegenwoordig is hiervan nog veel terug te zien in de Spinolaroute. De belegering slaagde maar duurde inderdaad lang. De stad viel zonder veel schade in Spaanse handen.

Frederik Hendrik koos in 1637 voor een snelle belegering, er werd maar één linie aangelegd van waaruit via “approches” (zigzaggende benaderingsloopgraven) de stad werd aangevallen. Er werden zeker 23 000 granaten op de stad afgevuurd. Ook nu slaagde de opzet. Veel sneller dan in 1625 wisselde de stad van bezetter, in oktober 1637 was de stad weer Staats, nu definitief.

Vooral in 1625 maar ook in 1637 zijn de belegeraars meer bezig geweest met graven dan met vechten.

Deze lezing werd zeer goed geïllustreerd met vele afbeeldingen, kaarten en plattegronden die het betoog prima ondersteunden.

 Om 11.40 uur geeft André Velthausz het woord aan de tweede spreker, drs. Harry van Enckevort van het Bureau Archeologie en Monumenten Nijmegen, voor zijn lezing: “Vuur over Nijmegen. De Bataafse opstand en de Tweede Wereldoorlog.”

Spreker begint met het tonen van afbeeldingen van allerlei bodemvondsten uit beide periodes. Hij heeft ook een aantal van deze vondsten meegebracht.

In 12 v. Chr. werd Oppidum Batavorum gesticht, een vooral lineaire nederzetting gelegen in het centrum van het huidige Nijmegen. De opgraving van 2005 vond plaats op een van de weinige nog ongestoorde plaatsen, de St. Josephhof  vlakbij het Valkhof. Uit de opgravingen blijkt dat Nijmegen een belangrijke, rijke stad was, er zijn resten gevonden van monumenten en bronzen standbeelden. Deze zijn waarschijnlijk opgericht in verband met de veldtocht van Germanicus die er in 14-16 n. Chr. in slaagde de door Varus verloren legioenstandaarden terug te veroveren. Er hebben in Nijmegen waarschijnlijk veel veteranen van het Romeinse leger gewoond.

Veel vondsten kunnen worden gekoppeld aan de Bataafse opstand van 69-70. Toen Oppidum Batavorum door de Romeinen werd heroverd is het door de terugtrekkende Bataven in brand gestoken. Op dit niveau is overal in de opgraving een brandlaag aangetroffen. Er zijn o.a. latrines en kelders vol verbrand materiaal gevonden, daar terechtgekomen bij het instorten van brandende gebouwen. Er is prachtig bronzen vaatwerk gevonden, een ijzeren masker en resten van muurschilderingen.

Nijmegen werd iets meer naar het westen herbouwd, Ulpia Noviomagus. Daar zijn verdedigingswerken aangetroffen uit de tweede helft van de 2e eeuw. Rond 170 – 185 is daar een brand geweest. Hiervan getuigt o.a. een laag daklei in de kelder van een ingestort huis.

In Nijmegen-Oost is een grafveld uit de 4e eeuw aangetroffen met fraaie bijgiften van o.a. terra sigilata. Daarboven ligt een brandlaag uit september 1944, resultaat van hevige gevechten tussen de oprukkende geallieerden en de Duitsers. In een kelder is veel huisraad uit die tijd gevonden dat velen van de aanwezigen nog bekend voorkwam. Het betreft dus niet het geallieerde bombardement van Nijmegen, dat vond plaats in het voorjaar van 1944 en trof vooral de binnenstad.

Ook deze lezing werd ondersteund door vele mooie en sprekende afbeeldingen.

 Rond 12.45 uur begint de middagpauze. Er vond een rondleiding plaats over het KMA-terrein en in het huis van Brecht met het bekijken van de permanente tentoonstelling van op dit terrein gevonden archeologische voorwerpen, ingericht door Cora van Beek.

Tegen 14.00 uur krijgt drs. Guido Van den Eijnde het woord. Hij is gemeentelijk archeoloog van Tilburg en is voorheen jarenlang stadsarcheoloog van Breda geweest. Zijn onderwerp: “Het onderzoek van het kasteel van Breda. Work in progress.”

Het kasteel van Breda heeft veel meer aspecten dan verdediging en aanval, het is ook nooit belegerd geweest. Het was een motor voor de stedelijke ontwikkeling van Breda en diende de adel om zich te presenteren. Behalve het plaatselijk belang was het een van de belangrijkste plaatsen voor de Nassaus in de hele Benelux.

Er is niet veel onderzoek naar gedaan. Begin jaren ’90 is er archeologisch onderzoek uitgevoerd op 5 á 10 % van het terrein. De vondsten zijn te zien in het huis van Brecht. Daarna is er ook bouwhistorisch onderzoek verricht.

Breda en het kasteel zijn gesticht op de grens van zand en klei, nabij de grens van Brabant en Holland. De eerste fase van het kasteel bevond zich op het westelijk deel van het huidige KMA-terrein. Jan III  van Brabant was korte tijd eigenaar (1327 – 1339) daarna kwam het aan Willem van Duivenvoorde. Onder Jan III  werd er meer oostelijk een nieuwe versterking gebouwd, een groot deel van de eerste stadsmuur kwam tot stand en de Haagdijk werd aangelegd. Breda werd beschouwd als tegenhanger voor het Hollandse Geertruidenberg.

Rond 1350 erfde Jan II van Polanen Breda en begon met de bouw van een nieuwe burcht. De Polanens stichtten ook de grafkapel in de Grote Kerk, zij waren de eersten die zich daar lieten begraven.

In 1404 huwde Engelbrecht I van Nassau Johanna, erfdochter van Polanen en verwierf daarmee Breda. Tot 1544 werd de stad door Nassaus bestuurd. Geleidelijk werd de ommuring uitgebreid, de burcht werd uitgebreid naar het noorden en oosten o.a. met een residentieel deel. Hendrik III tenslotte bouwde begin 16e eeuw het Renaissancepaleis, een van de eerste ten noorden van de Alpen. Een nieuw residentieel deel kwam op de plaats van de huidige rekenkamer, de oudste fase ervan bestaat nog. Het paleis is goed te vergelijken met het Markiezenhof in Bergen op Zoom en het stadspaleis te Mechelen. Eind 16e eeuw verloor het zijn functie als woonpaleis.

Ook deze lezing werd geïllustreerd met veel duidelijk beeldmateriaal.

 Om 15.30 uur krijgt als laatste drs. Christian van der Linde het woord. Hij is verbonden aan Archol en aan de Leidse universiteit. Zijn onderwerp: “Landweren in verband: een laatmiddeleeuws verdedigingssysteem in het noorden van Brabant.”

Landweren zijn lineaire terreinafbakeningen, combinaties van aarden wallen, droge grachten, doornig struikgewas, pallissaden, struikelkuilen, enz., waarvan de weinige doorgangen gecontroleerd kunnen worden. Ze vertonen een grote variatie in vormen. Zij kunnen een militair, agrarisch of juridisch doel hebben (of een combinatie).

De oudste landweer is bekend uit Duitsland in 1238, samenhangend met het zwakke centrale gezag in het Duitse Rijk. Het hoogtepunt van de landweren is te plaatsen eind 14e eeuw. In Nederland is de eerste bekend uit 1313, de belangrijkste periode is tussen 1350 en 1450.

We vinden er veel in Twente, in de omgeving van Deventer, ook (onzekere) in de Achterhoek, verder vooral in noordoostelijk Noord-Brabant en Limburg. Pas in de laatste jaren heeft er archeologisch onderzoek naar landweren plaatsgevonden, zoals te Berghem bij Oss waar een stuk land omsloten was door landweren. De spreker laat zeer duidelijke afbeeldingen zien van grondsporen, zoals paalsporen van pallissaden, doorsneden enz.

In de streek van Oss raakten in de late middeleeuwen de invloedssferen van Brabant en Gelre elkaar, er waren ook diverse enclaves zoals Ravenstein, er was daarom veel militaire activiteit. In de buurt van Horn zien we iets dergelijks, landweren tussen de Peel en de Maas waarmee de doortocht van troepen kon worden belemmerd. Spreker laat ook nog een voorbeeld zien van een zware landweer bij Deventer.

In landweren worden geen vondsten van voorwerpen gedaan, dat bemoeilijkt de datering. Bestudering van landweren is vooral het combineren van gegevens uit de historische kartografie met andere historische, geografische en archeologische bronnen.

Ook de heer Van der Linde illustreerde zijn verhaal met vele fraaie plattegronden, kaarten en andere afbeeldingen.

Evenals voorgaande sprekers beantwoordde ook hij nog een aantal vragen.

Om 16.40 uur sluit André Velthausz de studiedag. Hij dankt de vier sprekers voor hun bijdrage en de KMA voor de betoonde gastvrijheid. Allen meegerekend waren er 80 personen aanwezig, het toegestane maximum. Deze hebben genoten van een viertal voordrachten van hoge kwaliteit in een prachtige, inspirerende omgeving.                                                                                                                                                                                             verslag Gérard de Laat

 

Knippenbergprijs naar Wiekentkunst Moergestel

Op 14 november werd in de sfeervolle schuurzaal De Buitenman in Lage Mierde voor de derde keer de Willy Knippenbergprijs uitgereikt. De prijs, een speciaal voor de winnaar gegraveerde medaille en een geldbedrag van € 1000, ging naar “Wiekentkunst”in Moergestel.

Het thema was dit jaar ‘tradities’ en van de twaalf inzendingen werden er vijf genomineerd.

De vijf nominees hebben die middag elk hun project via een beamerpresentatie laten zien. Dan valt op hoe moeilijk de jury het gehad heeft, hoe dicht de inzendingen elkaar in kwaliteit benaderen.

WieKentKunst organiseert elk jaar een weekend aan activiteiten. Dit jaar uiteraard over ‘Gesselse tradities’ en wellicht herinnert u zich van 2008 nog het landjuweel in Moergestel met gilden uit heel Brabant. In september 2009 deden er 350 vrijwilligers uit Moergestel mee en trok het traditiefestival 3500 bezoekers. Die genoten van boerenovertrek tot babyborrel (het schèèl  ervan af drinken), van konijnenteelt tot foekepotten maken.

De doelstelling van WieKentKunst is versterking van de lokale en regionale samenleving. Dat doel is duidelijk gehaald. De jury liet doorschemeren dat de prijs juist naar deze winnaar ging, omdat hun initiatief zo goed door andere gemeenschappen en kringen is na te doen.

Eveneens navolgenswaardige voorbeelden waren de andere genomineerden: de performances “Bruiden uit diverse culturen’ van de Stichting Cultuurbehoud Breda; het echtpaar Van den Bosch-van Dillen dat veertig jaar alle gevens rond poffers verzamelde en door interviews en meewerken leerde hoe authentieke mutsen en klederdachten te maken en te repareren. Hun intussen ontsloten collectie, heeft vastgelegd wat vandaag niet meer zou zijn vast te leggen.

De intiatieven en de boeken van Paul Spapens over reuzen in onze regio maar ook in heel Nederland, was aanleiding voor de landelijke Reuzenfederatie om Paul voor te dragen.

De heemkundegroep Haren (bij Oss) bestaat pas kort, maar heeft in een mum van tijd allerlei initiatieven ondernomen. Hun prachtige erfgoedlokaal ´Haren ons dorp´ bevat daardoor een permanente tentoonstelling van tradities uit dorp en omgeving.

De voorzitter van Brabants Heem, Henk Hellegers, overhandigde de winnaars de prijs en reikte de andere genomineerden een oorkonde aan ter herinnering, vóór het glas geheven werd..

 Willy Knippenberg was een onvermoeibare heemkundige in al de opzichten die heemkunde te bieden heeft (van archeologie tot tradities), een kenner van flora en fauna, maar bovenal verzamelaar, kenner, leraar en rasverteller. Komend jaar zou hij 100 jaar zijn geworden en dan zal rond zijn verjaardag (15 november) de Willy Knippenberpgprijs voor de vierde keer worden uitgereikt en wel in Moergestel. Maak de organisatie bekend met personen of kringen die volgens u met hun project iets bijzonders gedaan hebben. Het thema van 2010 wordt binnenkort bekend gemaakt.

De Willy Knippenberpgprijs is een initiatief van Jan van Laarhoven (Brabants Museum) en de verantwoordelijkheid van de Stichting Willy Knippenbergprijs i.o. waarin Brabants Heem, de leerstoel Cultuur in Brabant, de Historische Vereniging Brabant en Erfgoed Brabant samenwerken. Prijs en feestelijke uitreiking zijn mogelijk gemaakt door Brabants Heem.

 

Symposium ‘Maakbaar Erfgoed’

Ter gelegenheid van het tienjarig jubileum van prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld als hoogleraar ‘Cul­tuur in Brabant’ aan de Universiteit van Tilburg hebben de Stichting Volkskunde Leerstoel Brabants Heem en het Algemeen Nederlands Verbond (ANV)  het symposium ‘Maakbaar erfgoed’ georganiseerd op zaterdag 28 november op de Universiteit van Tilburg. Het symposium was gewijd aan de betekenis van regionale geschiedenis en cultureel erfgoed (inclusief volkscul­tuur) voor de hedendaagse samenleving. Het programma bestond uit lezingen door dr. Albert van der Zeijden (Nederlands Centrum voor Volkscultuur), mw. dr. Iris Steen (Leuven), mw. drs. Brigite van Haaften-Harkema, gedepu­teerde voor jeugd, cultuur en samenleving van de Provincie Noord-Brabant, en prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld. Tom America en de Stichting Verhalis verzorgden intermezzo’s met beeld en geluid.                                        Jan Kerkhof, voorzitter van de Stichting Volkskunde Leerstoel Brabants Heem en bestuurslid van Brabants Heem was de dagvoorzitter.

Bij deze gelegenheid werd het eerste exemplaar van de bundel Maakbaar erfgoed. Perspectieven op regionale geschiedenis, cultureel erfgoed en identiteit in Noord-Brabant door prof. dr. Arnoud-Jan Bijsterveld aangeboden aan mw. drs. Brigite van Haaften-Harkema, gedeputeerde voor jeugd, cultuur en samenleving van de Provincie Noord-Brabant. Een exemp-laar van de bundel is beschikbaar voor elke heemkundekring.

Tijdens het  symposium reikte de voorzitter van het ANV, de heer Bert van der Stoel, de Visser-Neerlandiaprijs voor Cultuur uit aan prof. Bijsterveld voor zijn inzet om als culturele makelaar in organisatorisch opzicht vele partijen grensoverschrijdend bijeen te brengen.

 

Nieuwe wisselbeker voor regionale heemquiz

Op vrijdag 20 november vond in de aula van het Munnikenheidecollege te Etten-Leur de jaarlijkse quizavond plaats voor de heemkundekringen in West-Brabant met als inzet de nieuwe wisselbeker die Brabants Heem beschikbaar stelt voor Brabantse heemkundekringen.

Ieder jaar nemen tussen de 15 en 20 heemkundekringen deel aan dit gebeuren, traditiegetrouw georganiseerd door de winnaar van het voorafgaande jaar. In 2008 was dat dus Heemkundekring Jan uten Houte uit Etten-Leur.

De quiz die veelal bestaat uit een combinatie van kennisvragen en doevragen kan zich verheugen in een grote populariteit.

Ieder team dat uit 8 tot 10 deelnemers bestaat, is uiterst gemotiveerd om tot een goede score te komen.

En dat sommige kringen met een ijzersterk team deelnemen moge blijken uit de namen die op de wisselbeker prijken.

Zo heeft de Heemkundekring De Vierschaer uit Wouw het absolute record door te winnen in 1990, 1991, 1994, 1996, 1997, 2000, 2002 en 2006.

Goede tweede is de Heemkundekring De Heerlijckheid te Nispen door de winst te behalen in 1995, 1998, 1999 en 2005.

De derde plaats wordt ingenomen door Heemkundekring Het Land van Gastel dat in 1992, 1993 en 2004 won.

Overige winnaars waren in 2001 de Heemkundekring Op de Beek uit Prinsenbeek, in 2003 Heemkundekring De Vrijheijt van Rosendale, in 2007 Heemkundekring De Honderd Hoeven uit Hoeven en in 2008 zoals gezegd de kring uit Etten-Leur.

Hoog tijd om te gaan denken aan een nieuwe wisselbeker nu de huidige geen plaats meer biedt voor het graveren van een winnaar.

Om die reden heeft het bestuur van Brabants Heem besloten over te gaan tot de aanschaf van een nieuwe beker.

Op 20 november heeft Piet Meijers als coördinator van regio West de winnaars, wederom het team van de heemkundekring De Honderd Hoeven uit Hoeven, de trofee mogen overhandigen.

Voor de kringen in Midden-  en Oost-Brabant heeft Brabants heem het advies om een soortgelijk initiatief te starten. Het bevordert de kennis van de heemkunde en vergroot de onderlinge relaties. Bovendien is het heel gezellig. Het bestuur van Brabants Heem heeft voor een dergelijk initiatief een eenmalige bijdrage van € 500 over. Bestuurslid, de heer Piet Meijers, is bereid adviezen te geven en een draaiboek beschikbaar te stellen.

 

Raad van Aangeslotenen op 26 november 2009

Op 26 november kwam de Raad van Aangeslotenen in Oirschot bijeen. Na het huishoudelijk gedeelte en de pauze sprak de heer J.Broertjes over

Geomorfologie

Geomorfologie is de vorming van onz bodem vooral vóór het ingrijpen van de mens. Het gaat vooraf aan de cultuurhistorie van het landschap: het onafgebroken ingrijpen van mensen op hun natuurljke leefomgeving. Met deze powerpointpresentatie hoopt de heer Broertjes de bestuursleden van heemkundekringen enthousiast te maken over het belang van de cursussen cultuurhistorie in het landschap als deskundigheid voor een of twee leden van hun kring.

 Waar het massief van een jong gebergte als de Alpen nog steeds stijgt en de erosie doorgaat, blijven de plateaus in de delta en de Noordzee geleidelijk dalen. Ze doen dat nog steeds. Noord-Brabant kent door tectonische bewegingen (aardbevingen) drie plateaus die van zuid naar noord zo’n 37 m kunnen aflopen.

In het oosten de zgn. Peelhorst, meer in het midden de lager gelegen slenk en in West-Brabant op een zandige ondergrond de kleiafzettingen en later het inmiddels verdwenen hoogveen.

De hooggelegen Peelhorst is opmerkelijk nat (veenvorming) terwijl de door de breuk lager gelegen slenk juist relatief droog is. Ook de ondergrondse waterstromen verdelen zich in een westelijk, een middengebied van de centrale slenk en de horst die naar het oosten op de Maas afwaterrt.

Ooit stroomden Schelde en Maas als zijrivieren van de Rijn en de talloze kleinere rivieren met de Rijn noordwaarts. Al meanderend hebben zij grof zand en leem of löss afgezet in de diepere aardlagen. Toen in verschillende ijstijden de Noordzij droog lag, was Brabant een poolwoestijn. Over die permafrost woei vanuit het noordwesten grof zand en werd fijner zand als leem wat verderop neergezet.  De rivieren meanderden kilometers breed en in de droge winter en zomer waren de woeststromende  watermassa’s uit herft en lente gereduceerd tot een net van stroompjes in de zandbedding. Dat zand verstoof weer door de noordwestelijke stormen en zo ontstonden zandduinen en zandruggen (donken), waarop de eerste bewoning plaats vond.

In de voorlaatste ijstijd kwam het landijs tot de Utrechtse heuvelrug en de Veluwe. Schelde, Maas en Rijn bogen voor die morenen scherp naar het westen af en werden door zandruggen  van elkaar gescheiden. Maar rechts van de uit het zuiden opduikende zoom (stuwwal) bij Bergen-op-Zoom is de ondergrond erosiemateriaal (zand en grint) afkomstig van de Alpen en aangevoerd door Rijn en Maas, voordat die zich verplaatsten.

Sommige dekzandduinen zijn in latere tijden verstoven. Dat is zichtbaar door de potsollaag eronder (donkere aarde afkomstig van bebossing of akkers). Bijvoorbeeld bij de Drunensche Duinen.

 De heer Broertjes wijst ook nog op de wijstgronden en op de pingovennen (o.a. op de hei bij Oirschot). De laatste zijn ontstaan door ondergrondse ijsballen. Zie zijn artikel in een recent nummer van ‘Monumenten’.